Het was de laatste avond van het jaar 2010 en afschuwelijk koud in de stad Haarlem en toen het aan het begin van deze oudejaarsavond donker begon te worden daalden grote sneeuwvlokken neer en hulden de stad al snel in een witte deken.
In die ijzige kou en in dat donker liep er op straat een arm homoseksueel jongetje, zonder warme muts en op zijn blote voeten. Hij had wel pantoffels aangehad toen hij die dag van huis ging, maar dat had niet veel geholpen: het waren hele grote pantoffels geweest, zijn moeder had ze het laatst gedragen, zo groot waren ze, en het homoseksuele jongetje had ze bij het oversteken verloren, toen er twee auto's vreselijk hard voorbij waren gevlogen. De ene pantoffel had hij helemaal niet meer kunnen vinden en met de andere ging een stoute jongen mee vandoor: hij zei dat hij hem als wieg zou gaan gebruiken als hij later kinderen kreeg!
Daar dwaalde dat lieve jongetje dus op zijn blote voetjes, die al helemaal rood en blauw zagen van de kou. In een broekzak had hij een heleboel lucifers en één bosje hield hij stevig in zijn hand geklemd. Hongerig en koud liep hij daar en hij zag er zo zielig en eenzaam uit, dat arme stakkerdje! De sneeuwvlokken vielen in zijn lange, blonde haar, dat zo mooi in zijn nek krulde, maar aan dat soort dingen dacht hij nu echt niet. Uit alle ramen scheen het intieme licht naar buiten en het rook overal zo lekker naar gebakken oliebollen en wit poeder; het was immers oudejaarsavond en daar dacht hij wel aan.
In een hoekje tussen twee huizen op de Gedempte Oude Gracht, waarvan het ene een beetje vooruitstak, school hij weg en ging hij in elkaar gedoken zitten. Zijn beentjes trok hij onder zich op, maar hij kreeg het alsmaar kouder, en naar huis toe gaan dat durfde hij niet. Zijn vader zou hem immers slaan en thuis zou het trouwens ook zo koud zijn. Ze woonden vlak onder het dak van een hele oude woning in het hartje van de stad en daar blies de wind doorheen, ook al waren de ergste kieren met stro en oude lappen door hem dichtgestopt.
Hij had bijna geen gevoel meer in zijn handjes van de kou. O, wat zou een lucifer toch lekker warm zijn! Zou hij er eentje uit het bosje durven trekken en het tegen de muur afstrijken om zijn handen aan te warmen?
Hij trok er eentje uit en "Ritsss...". Wat vlamde dat, wat brandde dat! Het gaf een warm, helder vlammetje, net een heel klein kaarsje, toen hij het tussen de straatstenen stak en zijn handen eromheen hield. Een wonderlijk lichtje gaf het. Het jongetje dacht dat hij voor een grote, ijzeren kachel zat met glimmende koperen ballen en een koperen trommel en tinnen soldaatjes. Het vuur brandde o zo heerlijk, het was zo lekker warm. Maar wat was dat? Het jongetje strekte zijn voetjes al uit om die ook te warmen - toen ging de vlam plots uit, de kachel verdween - en hij zat met een stompje van het afgebrande zwavelstokje in zijn hand. Het homoseksuele jongetje stak er nog een aan. Het brandde, het gaf licht en waar het schijnsel op de muur viel, werd die doorzichtig, net als een weelderige sluier. Hij keek zo de kamer in, waar de tafel was gedekt met een spierwit tafelkleed, en met het fijnste porselein. De oliebollen en appelflappen stonden heerlijk te geuren en te dampen. En wat het aller-heerlijkst was, de oliebollen sprongen van de schaal en waggelden met een vork en mes in hun rug over de grond. Ze kwamen recht op het homoseksuele jongetje af; toen ging de lucifer uit en was alleen de dichte, koude muur er nog.
Hij stak weer een zwavelstokje aan. Toen zat hij onder de mooiste kerstboom van de stad, nog groter en nog rijker versierd dan de boom die hij door de glazen deur bij de rijke psychiater had gezien, vorig jaar met Kerstmis. Er brandden wel duizend kaarsjes aan de groene takken, en gekleurde prentjes, zoals je die in etalages ziet, en keken hem aan. Het jongetje strekte zijn beide handen uit - toen ging de lucifer weer uit, de vele kerstkaarsjes gingen de lucht in en veranderden in sterren, zo zag hij. Eentje viel en liet een lange streep van vuur achter aan de hemel. "Nu komt er iemand uit de kast," zei het jongetje. Want zijn oude grootmoeder, de enige die lief voor hem was geweest, maar die nu dood was, had gezegd: "Als er een ster valt, komt er een homo uit de kast."
Hij streek weer een lucifer af tegen de muur, het gaf licht en in het schijnsel stond zijn oma, heel duidelijk, heel stralend, heel vriendelijk en lief. "Oma!" riep het jongetje. "O, neem mij snel nu mee! Ik weet nu dat je weg zult zijn als het vlammetje dooft. Weg, net als de warme kachel met de tinnen soldaatjes, de oliebollen en die prachtige, grote kerstboom."
Haastig streek hij de rest van de lucifers uit het bosje af, want hij wilde oma vasthouden. De lucifers gaven zoveel licht dat het wel klaarlichte dag leek. Oma had er nog nooit zo mooi en zo groot uitgezien. Ze nam het kleine homoseksuele jongetje op haar arm en ze vlogen, heel, heel hoog, stralend en zo blij. Er was geen kou, geen honger en geen angst. Dat leek nu allemaal voorbij.
In het hoekje bij het huis op de Gedempte Oude Gracht zat in de koude winternacht het kleine homoseksuele jongetje met rode wangen, met een glimlach om zijn mond - op de laatste avond van het oude jaar. Het werd Nieuwjaarsochtend en de kleine jongen zat daar nog met zijn opgebrande zwavelstokjes om zich heen. “Hij heeft zich willen warmen bij het COC!”, zo zeiden de mensen mistroostig naar elkaar. Hoe kon hij weten dat het COC alleen nog maar in een postbus zit en dat het huis aan de gedempte gracht met de mooi bont gekleurde vlag al jaren was gekraakt door grote, mooie stoute jongens! Het Haarlemse homoseksuele jongetje met de boze vader, was immers zo arm, dat hij nooit op een computer kon of mocht kijken en zonder pc doe je bij het COC écht niet meer mee.
Niemand wist wat voor moois hij had gezien, hoe stralend hij met zijn oma de vreugde van het nieuwe jaar 2011 was ingegaan.
Roze feestdagen en een Roze Nieuwjaar,
uw Lues te B.
|